Immuniteiten

Alles wat betrekking heeft op de diplomatieke status, het diplomatieke verkeer, de voorrechten en de strafrechtelijke immuniteiten van de diplomatieke zendingen, ligt vast in het Verdrag van Wenen van 18 april 1961.

Toelichting

Immuniteiten zijn geregeld in art. 31, eerste lid, Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer: de diplomatieke ambtenaar geniet immuniteit ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat. Hij geniet eveneens immuniteit ten aanzien van de burger- en administratiefrechtelijke rechtsmacht van die staat, met uitzondering van de volgende gevallen:

  • een zakelijke actie betreffende particulier onroerend goed dat gelegen is op het grondgebied van de ontvangende staat, tenzij hij dit onroerend goed onder zich heeft ten behoeve van de zendstaat voor de werkzaamheden van de zending;
  • een geding betreffende erfopvolging waarin de diplomatieke ambtenaar als particulier en niet ten behoeve van de zendstaat betrokken is als uitvoerder van een uiterste wilsbeschikking, bewindvoerder, erfgenaam of legataris;
  • een geding betreffende een door de diplomatieke ambtenaar in de ontvangende staat buiten zijn officiële werkzaamheden om verrichte beroeps- of bedrijfsbezigheden.'

De strekking van de diplomatieke status van de uitgezonden medewerker en diens partner zijn ook afhankelijk van de soort vertegenwoordiging, dus of u bij een ambassade, CG of PV werkt. Voor ieder van deze drie gevallen geldt een apart rechtsregime. De immuniteiten voor diplomaten zijn vastgelegd in het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961).  Voor immuniteiten bij een PV bestaat geen algemene regeling. Voor consulaire ambtenaren gaan de immuniteiten minder ver en zijn neergelegd in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963, zie toelichting hieronder).

Iedere internationale organisatie heeft haar eigen verdragen (multilaterale verdragen en zetelverdragen). De omvang van de immuniteiten bij een PV of internationale organisatie is soms gelijk aan die van diplomaten van ambassades maar soms beperkter (al gaat het in grote lijnen om dezelfde privileges en immuniteiten). Of een partner kan werken als u op een PV wordt geplaatst, wordt per geval bekeken. Voor enkele grote PV’s geldt dat partners mogen werken.

Immuniteiten voor de diplomatieke ambtenaar

Het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer (1961) bevat basisregels voor het diplomatiek verkeer. Deze regels zijn vrijwel allemaal een codificatie van al veel langer bestaande regels van internationaal gewoonterecht. Op grond van art. 37.1 van dit verdrag hebben partners – “indien zij geen onderdaan zijn van de ontvangende staat” - dezelfde privileges en immuniteiten die in de artikelen 29 t/m 36 van dit verdrag worden toegekend aan diplomaten. Ook partners zijn dus onschendbaar, genieten immuniteit en vrijstelling van diverse belastingen, etc.

In besprekingen met ontvangende landen over tewerkstelling partners geven deze landen soms aan dat zij uitsluitend bereid zijn hiervoor toestemming te geven indien de zendstaat (Nederland) op voorhand volledig afstand doet van deze privileges en immuniteiten. Zoals in de diverse verdragen en MoU’s is bepaald, is Nederland bereid van veel privileges en immuniteiten voor werkende partners afstand te doen, maar niet van de strafrechtelijke immuniteit. Dit probleem speelt niet t.a.v. partners die de nationaliteit van de ontvangende staat hebben; zij hebben immers geen privileges en immuniteiten.

Immuniteiten voor de consulaire ambtenaar

Het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963) bevat basisregels voor het consulaire verkeer. Deze regels zijn grotendeels een codificatie van al veel langer bestaande regels van internationaal gewoonterecht.
Consulaire ambtenaren en hun partners hebben veel minder privileges en immuniteiten dan hun diplomatieke collega’s, zoals in detail is uitgewerkt in het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen (1963). Consulaire ambtenaren hebben bijvoorbeeld alleen immuniteit van rechtsmacht ten aanzien van handelingen verricht bij de uitoefening van hun consulaire taak (art. 43.1), dus niet t.a.v. privéhandelingen. Partners hebben geen immuniteit van rechtsmacht. Dit kan dus ook geen struikelblok vormen bij besprekingen met ontvangende staten over de tewerkstelling van partners.